Archive for the Boeken Category

De dag van ‘t gedicht voorbij (gerijmd?)

Posted in Boeken, Poëzie with tags , on 3 February 2013 by Gunther

La NOuvelle Cycluste231 Januari is (was) gedichtendag. Voorbijgehold door mezelf en de tijd wil ik alsnog mijn bijdrage leveren, met werk uit eigen werk, La NOuvelle Cycluste (ONgekelderd en NOg dicht). Helemaal ge-zelf-publiceerd is het ook nog steeds te koop op Unibook. Hmm, een liefhebber in de zaal?

Onderstaande is een leesbaar gedicht:

Geluk

Geluk
,zeggen ze,
hoort niet in een woord.
Geluk
,zeggen ze,
is
wat hoort.
Zeggen ze maar niet.
tJA,
die dichters toch.

Ik schrijf verder echter vooral meetlatpoëzie, gestructureerd, afgelijnd en letterlijk afgemeten. Aangezien dat zich moeilijk hier laat reproduceren, kan je hier het ondertitelgedicht van de bundel downloaden: ONgekelderd en NOg dicht.

Zoals ik eerder al meldde, zette Marc Swoon Bildos ook al gepaste beelden op mijn gedicht “Geheimpje van de Dichter”. Mooie gelegenheid om hier nog eens te tonen:

De fik erin

Posted in Boeken with tags on 1 January 2013 by Gunther

Net nadat ik het op vakantie had gelezen (augustus 2012), kwam het op de longlist voor de Ako literatuurprijs 2012 terecht!

Erik Vlaminck met Brandlucht

(de genomineerde werken van Herman Brusselmans, “Watervrees Tijdens Een Verdrinking“, en Elvis Peeters, “Dinsdag“, las ik ook intussen. Stefan Brijs met Post Voor Mevrouw Bromley wacht. De ‘winnaar’ werd Peter Terrin met Post Mortem.)

In Brandlucht komt de lezer terecht in een duivenkot van emoties. Erik Vlaminck gebruikt de setting van een gemengd Nederlands-Belgisch huwelijk op Canadees grondgebied om een taalregister aan Vlaamse uitdrukkingen boven te halen en te plaatsen tegen een achtergrond van Algemeen Nederlands, zonder beide tekort te doen.

Ik ben liefhebber van het literair werk van Erik Vlaminck. Geworden. Nadat ik het zesluik ‘Het Schismatieke Schrijven’ verorberde, waarin de auteur aan de hand van familiegebeurtenissen en andere persoonlijke verhalen op een geweldige manier de geschiedenis van een land (België) en zijn inwoners van -pakweg- de voorbije 80 jaar in beeld brengt. In de opvolger ‘Suikerspin‘ brengt hij aan de hand van het kermisleven op een boeiende wijze enkele generaties in beeld.

Research en historisch opzoekwerk lijken wel zo’n beetje de tweede natuur van Vlaminck geworden. Niet dat het stoort, integendeel, je merkt er niks van tijdens het lezen. En het is net die natuurlijke gang van zaken in zijn verhalen die aantoont dat hij het zo goed deed, maar vooral ook voortreffelijk verwerkte in de uiteindelijke mix.

Voor ‘Brandlucht’ is Vlaminck opnieuw naar Canada getrokken, de regio die hij al bezocht en gebruikt had voor het deel ‘Stanny, Een Stil Leven’ uit zijn schismatieke reeks. In dat deel belichtte hij aan de hand van een gevluchtte ‘zwarte’ uit de tweede wereldoorlog al heel subtiel de complexiteit van de collaboratie. De lokale kolonie van lage-landers in Canada moet hem opgevallen zijn, want deze nieuwe roman is aan hen gewijd.

En weer brengt Vlaminck een erg complexe materie tot leven. Aan de hand van een aantal in de tijd gespreide fragmenten weeft Vlaminck een totaalbeeld van enkele generaties overblijvenden van een vlucht naar Canada. We krijgen het verhaal van de Nederlandse Mina die er vanuit Zundert eerder ongelukkig terecht komt, maar het geluk vindt als ze er de Belg Tony Verkest ontmoet. Maar erg gelukkig blijkt dat huwelijk niet, en dat kom je mondjesmaat te weten, onder andere door de ogen van dochter Elly.

Maar er is meer dan het ongelukkig huwelijk en een gebroken gezin, tegen de achtergrond van ontheemding en hele gemeenchappen die zwelgen in nostalgie naar het geboorteland; nostalgie in taalgebruik, eten en drinken, folklore zoals de duivensport en de wielerkoers, en feesten. Langzaam wordt je als lezer meegezogen naar de dieperik van gecompliceerde menselijke geesten en hun kronkels. Van Canada naar Geel en Oevel en weer terug. Langzaam verandert je morele perspectief, naarmate je meer plaatsen bezoekt waar de brandlucht overheerst. De zoektochten die mensen ondernemen naar de geheimen van vaders en de keuze van namen, die zelden iets anders opleveren dan ontregeling.

En elke nieuwe onthulling houdt een perspectiefwisseling in, en een bijstelling van eerdere morele oordelen of meningen. Zoals in ‘Stanny, Een Stil Leven’ toont Vlaminck levensecht aan dat niets absoluut of definitief is, dat achter elk verhaal een mens zit. Een verhaal dat soms is wat het werd door pijnlijk zwijgen.

Langzaam groeit ‘Brandlucht’ naar een ontknoping. Is het daarom een thriller? Op een bepaalde manier wel, maar mij maakte het niet uit, want ik heb van de eerste tot de laatste letter gesmuld, van de taal maar ook van het verhaal, van de onthullingen, de ontknopingen, en de menselijke verbijstering de Vlaminck zo treffend en meeslepend schetst. Getroffen was ik tot in mijn diepste ik, door dit fenomeen, Brandlucht.

Kroniek van een gecontroleerde dood

Posted in Boeken with tags , on 9 December 2012 by Gunther

Peter Terrin - Post Mortem -RugMet Post Mortem schreef Peter Terrin een veelgelaagd, maar vooral verrassend speels boek. Hij kreeg er in 2012 de Ako literatuurprijs voor.

Het is genoegzaam bekend dat de schrijver een akelige privé gebeurtenis, het herseninfarct van zijn dochtertje, centraal zette in zijn roman. Want soms neemt de realiteit het leven van de producent van fictie over. Echter, Peter Terrin doet veel meer. Hij diept op een meerlagige wijze, en met veel schalkse humor en mild-ironische verwijzingen, het onderwerp van de vermenging van fictie en minder-fictie uit. Met beschouwingen over het ridicule van romans die beginnen met een schrijver die een douche neemt, of het belang van de juiste auteursfoto op de achterflap.

We maken kennis met de lichtjes paranoïa schrijver Emiel Steegman, die enkel om zijn schrijverij bekend zou willen blijven en niet om zijn privéleven. Dat wordt dan ook een centraal gegeven in zijn dagelijkse leven, namelijk hoe hij bekend zal zijn als hij er eenmaal niet meer zal zijn, en wat vooral niet meer bekend mag zijn. Een opkuis van Facebook volgt, maar daar stopt het niet. Hij vat het plan op om in zijn volgende roman privégebeurtenissen te vermengen met echte verzinsels.

In deel 1 van Post Mortem springt de tekst over en weer tussen echt en minder echt, en hoe de vermenging ervan in zijn werk gaat. En het lijkt wel alsof Terrin ons werkelijk inzicht in zijn werk- èn zijn bovenkamer biedt. Maar in deel 2, met aangepast lettertype, wijzigt de setting drastisch. De realiteit, fictief dus vanwege de echte schrijver die de uiteindelijke controle natuurlijk behoudt, komt in de weg te staan van Steegman als zijn dochtertje Renée een beroerte krijgt. Schrijnend en aangrijpend maakt Terrin de lezer deelachtig aan het verdriet en de onzekerheid die volgt voor Steegman.

In deel 3 leren we dan of de ontsnappingsmaneuvers van de vroegere schrijver Steegman succesvol waren, als zijn zelfverklaarde biograaf zijn leven uitspit. Met meer vragen dan antwoorden opgezadeld zit, en een stel (originele, zo blijk uit onderzoek) video-opnames uit het leven van Steegman. En het blijkt trouwens ook dat die ene aanklacht ongegrond was. Wat de vroegere buren, die natuurlijk een fictieve rol spelen in een al even fictieve roman van Steegman, er ook van mogen denken. Ongegrond want de naam van het slachtoffer leek enkel op de naam van een echte jeugdbekende. Vanuit Steegman’s geheugen weet de lezer trouwens al dat hij een lafaard was, en nooit dader had kunnen zijn, daar op het grasterrein onder de leeuwerik.

En, kijk, soms haalt de realiteit zo’n vermaledijde schrijver dan toch weer in en krijgt hij een literaire prijs, met daaropvolgend brede erkenning. Dat overkomt Emiel Steegman. En Peter Terrin. Ik kan niet beoordelen of het in het geval van Steegman terecht is, maar voor Peter Terrin is dat zeker het geval. Het was het eerste werk dat ik van hem las, maar hij past prima in het rijtje van literaire grootheden waar ik eerder mee kennismaakte, zoals Yves Pétry of Stefan Brijs. Alhoewel in alle gevallen enkel de ‘herborene’ de echte kracht heeft om een dood te overwinnen.

Peter Terrin wint de Ako Literatuurprijs 2012

Maakt het uit welke dag? Mag het op dinsdag?

Posted in Boeken with tags , on 6 September 2012 by Gunther

Net gelezen, en nu al op de longlist voor de Ako literatuurprijs 2012!

Elvis Peeters met Dinsdag

(de genomineerde werken van Herman Brusselmans, “Watervrees Tijdens Een Verdrinking“, en Erik Vlaminck, “Brandlucht”, las ik ook intussen. Stefan Brijs met Post Voor Mevrouw Bromley wacht)

In Dinsdag laat Elvis Peeters (met de hulp van co-schrijfster Nicole Van Bael) een oude, rustige man gedurende één oude, rustige dag terugblikken op één leven. Dat ene leven was duidelijk minder rustig dan de indruk die de man die het overdenkt, geeft.

Zijn dag voert hem weg van de mogelijke komst van de sociaal assistente, langs de dagelijkse weerkeringen en naar geschikt gras voor hooi. Maar de dag brengt ook herinneringen aan zijn woelige jeugd, zijn verbanning naar Afrika, zijn gulzige genot van het Afrikaans bestaan tot de gedwongen terugkeer, en al wat daarna nog kwam.

Een rode draad is zijn onverschilligheid, en de boevenstreken die hij in elk van de ontelbare andere jobs die hij uitoefende steeds opnieuw uithaalde, als verkrachter, huurling of vrachtwagenchauffeur. Gesjoemel en gesjacher, meer lijkt het niet op het eerste zicht. Daarin misleidt de rustige vertelstijl de lezer.

Elvis Peeters weeft de herinneringen van de man vlechtig doorheen de gebeurtenissen van die dag, een dinsdag of eender welke dag want dat maak zoveel al niet meer uit, als het ooit al wel een verschil maakte. De terugblik van de man maakt de nodige sprongen in de tijd en er ontstaat een mooi gelaagd beeld van zijn compleet amorele levenshouding. De man denkt terug aan de vrouwen die zijn pad kruisten -zij hielden er meer onaangename herinneringen aan over dan aangename, kan de lezer vermoeden- tot de 2 vrouwen in Brussel die hij aan zijn rustige, oudere zijde had.

Zoals in Wij schetst Peeters de gebeurtenissen in een amorele stijl. Maar vergeet het rechtstreekse shockeffect van Wij, en smul van de opvallend uitgewerkte taal en de shock van het gebrek aan zelfinzicht en andere vormen van veroordeling in Dinsdag. Peeters beschrijft het, kleurt het (bijzonder opvallend vond ik hoe adembenemende landschappen van Afrika in woorden verschijnen) maar schrijft schijnbaar waardenloos. Dat hoeft ook niet; dat de lezer zich afvraagt hoe sommige gruwel mogelijk kan zijn, is meer dan voldoende. Het was een leven als overlever, en vele anderen die hem niet overleefden.

Schrijven Zonder Zwemmen

Posted in Boeken with tags on 4 September 2012 by Gunther

Net gelezen, en nu al op de longlist voor de Ako literatuurprijs 2012!

Herman Brusselmans met Watervrees Tijdens Een Verdrinking

(de genomineerde werken van Elvis Peeters, “Dinsdag“, en Erik Vlaminck, “Brandlucht”, las ik ook intussen. Stefan Brijs met Post Voor Mevrouw Bromley wacht)

Het boekwerk Watervrees Tijdens Een Verdrinking is voor het volle pond gewijd aan de beschrijving van een verzopen leven zonder vrouw; en de schrijver suggereert nogal expliciet dat het zijn leven betreft. Want de beroemde Gentse schrijver Brusselmans (Herman) zit zonder vrouw. Niet geheel uit eigen wil. Maar dat maakt weinig uit; feit is dat hij op zoek moet naar een nieuwe vrouw. Maar hij wil niet op zoek naar die derde vrouw. Hij wil eigenlijk gewoon nummer 2 terug, Phoebe, niet zomaar een nummer. Of toch, 20 dan, van (bijna) 20 jaar getrouwd.

Zijn zoektocht is dus tot mislukken gedoemd, maar hij werd toch gestart, die zoektocht, op café. De zoektocht leidt langs nogal wat vrouwen/meisjes. Maar wie kan tippen aan Phoebe? Katrien niet, want ze kent de Triumph Street Triple 675 R niet, en slaat overvallers halfdood met een fles cola. Katrien’s opgetrommelde vriendin Layla, alhoewel zonder waterknieën, heeft geen interesse in boeken. Nog een geluk dat de vooroordelen waar zelfgeroemde schrijver van overloopt, meestal blijken te kloppen. Dat helpt in de afwijzing. En Layla’s zuster, Erika, is gewoon zo’n voortdurend op een hippe telefoon tokkelende mokkel, met veel te doordeweekse benen. Zoals al die andere troela’s.

Via hinkende gedachten en over en weer springend op 5 benen wentelt Brusselmans zich in passie, haat, zelfmedelijden, compassie en beheerste frustratie in een al bij al mild boek, waarin de zwarte humor goed gedoseerd blijft. Een zeker onbehagen maakte zich af en toe van me meester, als mijn gedachten afglijden naar de realiteit waar dit op gebaseerd is. Maar -ach- door de jaren heen moet de omgeving van de beroemde meneer Brusselmans (Herman) het meer dan gewend geraakt zijn om op z’n minst delen van het eigen bestaan in boekvorm misbruikt te zien worden.

Dit boek bevat alvast meer variatie dan enkel het nieuwe blik BV’s dat hij open trekt, de gestaag oversekste toespelingen en de beledigingen van maatschappelijke minderheden. Dit boek bevat voortdurend opduikende verwijzingen (naar Jan wolkers, de gebroeders Wright, Louis Paul Boon, Marcel Proust en Haruki Murakami) die de auteur hardnekkig weigert uit te werken. Is het de weerspiegeling van het leven zoals Brusselmans het ziet? Is het twijfel (angst?) meer intellect bloot te geven, iets te produceren dat als ‘literatuur’ zou kunnen geïnterpreteerd worden? Tegelijk zinspeelt hij er toch voortdurend op dat hij het zou kunnen, maar bewust niet doet. Zodat wij, lezers, ons aan het einde van ‘s mans leven voor altijd zullen moeten afvragen welk absoluut meesterwerk ons niet werd gegund. Het is een spel, een literair spel. En het is gemakkelijker om te spelen dan zijn leven zelf, me dunkt. Want daar zijn al die driedubbele kronkels wat minder beheersbaar dan op papier, me dunkt.

In Amsterdam zal het leven van de ik-persoon ook niet verder gezet worden. En de toestand wordt dra zo hopeloos dat meneer zelfs mokkels in aanmerking moet nemen die meneer niet als auteur kennen, laat staan zijn boeken, of -erger nog- hem omschrijven als ‘geen literaire vernieuwer’. Grappig hoe Brusselmans spot met dit populistische (of is het intellectualistische?) beeld van hem. Zichzelf via zijn personages niet al te ernstig neemt. Oeps. Hij lijkt nog wel een genre op zich. Allicht. Hij toont hier gelukkig genoeg niet alleen zijn typisch nihilisme, maar legt extra metaforische meta-lagen boven op de simpele realiteit van de complexe overlevingsstrijd van een man van middelbare leeftijd die in de steek werd gelaten door zijn vrouw. Waarbij de (nu) ex zo vriendelijk was om de Porsche Carrera mee te nemen. Hij gebruikt zijn unieke taalsaus om de knopen, de worstelingen en de twijfels extra in de verf te zetten.

Langzaam keert de stemming. Er duikt zelfs een politiek compleet incorrecte vader-kinderwens op. Het boek ontwikkelt zich tot een wrange liefdeshistorie met fictieve liefdesprojecties in Gent, en in de Gentse koffiecafé’s. Fictieve mensmeisjes voor een reëel verwerkingsproces? Een liefdesdrama met een einde dat naar de keel grijpt, en alvast in die passage weer eens het potentieel aantoont van meneer Brusselmans. En dat werpt toch weer de vraag op wat de meeste moed vraagt? Doorgaan op je eigen literaire pad en 2 boeken per jaar volgens je eigen idioom kakken, of minstens voor 1 keer de koers van de Grote Literatuur inslaan en een overeenstemmend werk schijten? Ik durf het waarlijk niet zeggen. Het was ook alweer een jaar of 15 geleden dat ik nog een Brusselmans gelezen had.

Semper Fidelis. En een ster.

Posted in Boeken with tags , on 13 April 2012 by Gunther

Met De Allerlaatste Caracara Ter Wereld schreef Peter Verhelst een prachtige roman vol uitgepuurde observaties en zonder overbodige woorden, maar veel werkwoordloze waarnemingen.

De schitterend aaneengeregen poëtische vaststellingen voeren ons weg van de (bewuste) bombast van Zwerm. Het verenigt de talige overtreffing van Memoires Van Een Luipaard, het vuurwerk van Tongkat, de romantiek van De Kleurenvanger en de maatschappelijkheid van… Zwerm. Het is een verhaal over de macht, de onmacht en de wezenloze kracht van verhalen, en de zinloze kwestie van het waarheidsgehalte ervan. Peter Verhelst brengt een paradijs tot leven in woorden en in zwijgen, vanuit een onmetelijk verbeeldend vermogen om ook de kleurenpracht en geluiden van de lokale fauna en flora te verlevendigen, in verhalen en verhaallijnen die op zich een paradijs vormen. Een waar bordeel van korte verhaalstoten, zacht deinende hoofdstukjes.

Een jonge, Belgische arts spoelde aan op een exotisch eiland, 15 jaar geleden, met een boot of zo, op zoek, vooraleer vrouwen uit de zee nu datzelfde doen, via vissersnetten, uit de zee of zo, en minder op zoek.  Het is een rietsuikereiland van vissers, een wat besloten gemeenschap. Het is een eiland van schaarse hoofdrolspelers; dokter Victor Duval, de priester Coriolan, een commissaris, Madame van het koffiehuis. Langzaam versmelten hun verhaallevens, vanuit de zoektocht van de dokter en de vraagtekens over zijn militaire vader.

Zo komen we uit bij Cassandra, eilanddochter, die haar geliefde verloor aan de zee, zuster en ontfermster over aangespoelde wezens. Het verleden eist een prominentere plaats op naarmate ook de hoofdstukken langer worden, en de soldaten landen. Opnieuw. Zoals het verleden. De militairen komen om de aangespoelden, vrouwen en intussen ook kinderen, te beschermen tegen zichzelf. Vrouwen en dieren uit de zee. En wie weet waar nog vandaan? En waar terug heen? Ze hebben geen tong om verhalen van een toekomst te maken. Maar ze spelen met de wind, de laatste wind die zich niet vangen laat.

Blogbericht van een would-be schrijver die het gewoon werd niet gelezen te worden

Posted in Boeken with tags , , on 18 February 2012 by Gunther

Met Monoloog Van Iemand Die Het Gewoon Werd Tegen Zichzelf Te Praten schreef Dimitri Verhulst een roman met een ongewoon lange titel voor een al bij al korte tekst zodat we dit genoegzaam een novelle noemen. Nu, ik ken schrijfsels van vergelijkbare lengte en beperkte complexiteit die we ook ‘roman’ noemen, wat het onbelang van de definitie aangeeft. Tenzij schrijver en uitgever zich om welke reden dan ook beschermd weten door de woordkeuze voor ‘novelle’. In ieder geval, het maakt dit werk(je) daarom niet minder boeiend.

Ik meen me te herinneren dat dhr. Verhulst graag een toerke doet met de fiets, en niet gewoon om naar de bakker te rijden maar op het niveau van de echte wielerliefhebbende toerist. Het weerhoudt hem er gelukkig niet van om in deze monoloog niet de beroemde coureur centraal te stellen, maar de eigendom van de monoloog aan de Senegalese lichtekooi Seynabou te schenken. Zij is de laatste persoon op deze aardkloot die de wielrenner Jens De Gendt in leven zag (mocht hij echt bestaan hebben, dan zouden we hem misschien Frank Vandenbroucke noemen, of zo, ik zeg maar wat). Zij vindt overigens zelf ‘gazelle’ een elegantere omschrijving voor haar beroepsbezigheden, alhoewel het dat soort trots is die haar belet een officiële en legitimerende gezondheidskaart aan te schaffen.

De schrijver demonstreert dat zijn inlevingsvermogen al even flexibel is als zijn taal en moeiteloos het semi-autobiografische waar veel van zijn bekendheid mee verworven werd, overstijgt. Nu, lezers die wat vertrouwder zijn met zijn totaaloeuvre horen dit al langer te weten, natuurlijk. Met veel zin voor humor, hier en daar aangevuld met een beetje cynisme om het godenkind van de tweewieler met de voetjes op onze grond te krijgen, laat hij de gazelle de omstandigheden beschrijven waarin zij de -naar eigen zeggen- beroemde wielrenner ontmoet in een discotheek. En vervolgens vernemen we hoe zij de laatste avond en nacht van Jens beleeft, hoe zijn oprechte affectie en verontwaardiging om onrecht omslaat in nukkig schoolkindgedrag. Het is erg ontnuchterend om vanuit haar perspectief het circus rond de dood teruggevonden wielrenner beschreven te zien, diagnoses en herziene diagnoses incluis. En te vernemen wat de simpele waarheid is rond de verdwenen gsm en de vermiste geldsom van de meneer die toch wel 150.000 keer teruggevonden kan worden via Google (ik checkte net en stel vast dat het toch al teruggelopen is tot 54.600 zoekresultaten). Een geluk voor haar is dat het eten in de cel van behoorlijke kwaliteit blijkt. Wat minder leuk is dat er even, heel even maar, één nacht, hoop was op redding, op een echt zwembad. Ik vermoed dat het haar niet meer zal overkomen.

Geen Verlosser, Geen Verlossing

Posted in Boeken with tags on 7 February 2012 by Gunther

In De Intrede Van Christus In Brussel brengt Dimitri Verhulst het verhaal van de Verlosser die komt, Hemzelve, naar Brussel nog wel. En Verhulst meent het. Want het was op ‘t nieuws. Alhoewel dat niet wegneemt dat het weer belangrijker is (geen regen voor een keer). Of eigentijdse beschouwingen over ‘t hedendaagse van de lokale wereld waarnaar Hij afdalen zal. De ik-verteller deelt met ons zijn messcherpe analyse van den Belgiek, 2- of meertaligheid, Maria die vereerd wordt waar ze verschijnt (en dat is meer dan je denken zou); de futiliteit van een koe in Brussel tegenover de nalatige en misbruikende kerk (jawel, die van Hem). En de bredere geschiedenis, die van die godverdomse bol, doet de verteller beseffen deel te zijn van een verloren generatie. Maar kijk, geleidelijk overwinnen hij en de bevolking hun apathie en beginnen te beseffen; de intrede van Christus staat gepland voor den eenentwintigste juli. De nationale feestdag. En het gaat door.

De aankondiging van de Komst valt samen met de komst van de jaarlijkse kermis, en de stad beleeft een ingrijpende renaissance. De stad herleeft, en herkleurt in het aanschijn van de verschijning van de Almachtige. Toeschouwers maken zich klaar, een organisatiecomité organiseert, een route dient uitgestippeld, een welkomstwoord geschreven. Om taalkundige redenen (kennis van het Aramees) zal de Godenzoon begeleid moeten worden door het soort uitgestotene waar Hij een zwak voor heeft, een asielzoekster, meisje nog, kind nog.

In zijn rijke en zinnelijke taal, doordrenkt van cynisme weliswaar, dissecteert Dimitri Verhulst de wereld, de maatschappij, die Hij bezoeken zal. In één gulzige teug heb ik me gelaafd aan de woorden- en gedachtenstroom van Verhulst, dit boek in 14 goddelijke doch bangelijk groteske staties. Ik was blij dat de ‘ik’ geen uitstaans heeft met de levende Verhulst zelve, want dat is de reden waarom ik me zijn De Laatste Liefde Van Mijn Moeder niet aanschafte. Dat was trouwens de enige niet-aanschaffing in een hele reeks, een reeks waar dhr Verhulst bij aanschaf van deze intrede erg geniepig de novelle Monoloog Van Iemand Die Het Gewoon Werd Tegen Zichzelf Te Praten aan toegevoegd bleek te hebben begin 2011. Geniepig, want zonder dat ik het wist.

In De Intrede Van Christus In Brussel verzamelt de dolle mensenzee van Ensor zich tussen de terloopse bespiegelingen van de ‘ik’ over media, gerecht, vluchtigheid, stakingen, regeringsvormingen en regeringsvormen, of futiliteiten als de onverwachte kennismaking met een buurman, de onverwachte biecht van een moord ook. Het wordt een optocht van flagellerende zondaars, onbeantwoorde wanhoopsdaden van godsvrezenden. Met zijn fantasie en zijn pen is dhr. Dimitri Verhulst niet te schijterig om als schrijvende god een bevlogen maatschappijsatire te produceren en zo een volgend klein meesterwerk aan zijn reeds indrukwekkende lijst schrijfsels toe te voegen.

Legendarisch Hedendaags

Posted in Comics with tags , on 6 February 2012 by Gunther

Met Hedendaagse Legendes werden 3 klassiekers in het stripgenre gebundeld. Pierre Christin schreef in de periode 1975-1977 3 fantastische verhalen die door Enki Bilal werden geïllustreerd. En met ‘fantastisch’ refereer ik niet enkel aan de kwaliteit maar ook aan de inhoudelijke verhalen. Ze brengen gebeurtenissen die zich tegelijk in en buiten onze reële werkelijkheid bevinden, maar we worden quasi argeloos meegenomen op 3 reizen door het uitzonderlijke met een sci-fi tintje.

In Het Dorpje Dat Ging Vliegen (1) beleven we de luchtreis van een volledig dorp. De bewoners genieten bepaald van hun uitstapje dat hen voor één keer onttrekt aan de zware aarde. Ondertussen breken de militaire onderzoekers in het nabijgelegen experimenteel onderzoekscentrum zich het hoofd over het waarom de effecten van het onstopbaar experiment met de zwaartekracht zich vooral buiten het proefgebied lijken te manifesteren. Terwijl de dorpelingen zich vermaken, doen zich griezelig psychomorfische veranderingen voor bij de militairen. Allicht interessant studiemateriaal.

De legendarische figuur 50/22B (ook wel: Guesdin, Guidoni, El Ciego), een raddraaier in hart en nieren, die als intermediar overdrager van energie eerder de zwaartekracht hielp overwinnen, bezoekt in Het Schip Van Steen (2) een ruraal dorpje aan zee dat bedreigd wordt door megalomane projectontwikkelaars. Samen met de lokale gemeenschap, zijn eeuwenoude tovenaar en alle historische dorpsbewoners wordt een indrukwekkend ontsnappingsplan in werking gesteld.

In De Onbestaande Stad (3) genoot ik het meest van de onverwachte omkering van dromen en idealen. In het begin worden we wreedaardig opgewekt uit utopiaans gedroom door de werkelijkheid van een aanslepende staking in een lokale fabriek. Als de eigenaar, beheerder en dominator van de fabriek (en het stadje) voortijdig het leven loslaat, start een merkwaardige sequentie aan gebeurtenissen. Centraal daarin staat de enige erfgenaam die, geïnspireerd door de intussen gekende mysterieuze subversieveling, zich niet wil onttrekken aan haar ‘plicht’ te betalen voor het geld dat haar familie heeft vergaard. Mits enige manipulatie van de hongerige wolven die de overgebleven directeuren vormen, slaagt zij erin een nieuwe stad tot stand te brengen voor de inwoners. Dit leidt bij sommigen tot de omkering van een droom, en de inverse aard van de wreedaardige opwekking eruit. Een stad die niet bestaat? Of niet kan bestaan? Of beter niet had bestaan?

De verhalen bevatten een naturalisme waar Emile Zola zich helemaal in zou kunnen terugvinden; een sociaal, emanciperende inslag tegen de achtergrond van een soort oud-industrieel oud-Frankrijk. Inhoudelijk hebben ze de aanwezigheid van een zelfde engel-achtig figuur gemeenschappelijk, waarvan het staatsvijandig belang, zo wordt geschetst in een kort inleidend verhaal voor het eigenlijke Het Dorpje Dat Ging Vliegen begint, niet kan onderschat worden. In datzelfde inleidende verhaal wordt ook het subversieve karakter van beide auteurs aangeraakt, met hun hunker naar maatschappelijke rechtvaardigheid en een betere wereld. En elk verhaal leidt effectief tot een nieuwe wereld voor de bewoners van de verhalen. Alhoewel het in De Onbestaande Stad toch eindigt met een lichte, ironische kanttekening omtrent de wenselijkheid en het noodzakelijke isolement van gerealiseerde idealen.

De illustratiestijl van Bilal is herkenbaar, zijn personages zijn reeds karakteristiek, maar het zijn nog heel erg… tekeningen. Ze zijn prachtig, maar nog maar een voorbode van de verbeeldende stijl die hij later zou aannemen, als hij ook de verhalen voor zijn rekening neemt. Een hoogtepunt is natuurlijk de Nikopol-trilogie, alhoewel zijn grafiek is blijven evolueren. In zijn laatste reeks, met de voorlopige eerste twee delen Animal’z en Julia & Roem, bestaan de prenten eerder uit houtskool of gouache-achtige schilderijen waarin het belang van aflijning zo goed als is verdwenen. Ik vind het dan ook een beetje dubbel dat deze bundeling “Hedendaagse Legendes” werd heruitgebracht met een nieuwe cover door Bilal die impressies uit de 3 gebundelde verhalen bevat. Het is erg mooi, maar de cover is gemaakt in de stijl die Bilal vandaag hanteert, inclusief de overwegend blauwe inkleuring, terwijl de verhalen zelf daar nog maar de prille oorsprong van bevatten (op pagina 167, plaat 47, herken ik de prille trekken van de latere Parijse machthebber in Kermis Der Onsterfelijken). Maar de verhalen en de grafische verbeelding ervan zijn zondermeer klasse en de moeite, dus laat je door die kleine misleiding niet op het verkeerde spoor zetten, dus ook niet ontgoochelen.

Samen maakten Bilal en Christin later trouwens nog de meesterwerken De Falangisten Van De Zwarte Orde en De Jacht. Uitmuntende aanraders die zich helemaal afspelen tegen dubbelzinnige, politieke achtergronden.

En de midvoor, hij scoorde (ook in boeken)

Posted in Boeken with tags , , , on 9 January 2012 by Gunther

Ik heb Jan Mulder nooit in het echt weten voetballen. Daarvoor ben (was) ik te jong. Hij dus te oud?

Het vormde geen beletsel om intens te genieten van zijn boek Chez Stans, waarin hij teder terugdenkt aan zijn overgang naar en 7-jarig verblijf bij Sporting Club Anderlecht. Centraal staan echter vooral de liefdevolle herinneringen die hij ophaalt, aan het kleurrijke en immer gezellige Brussel, de gemoedelijkheid, de kleurrijke personages, de specifieke lokaties, de autos, de vrouwen en… het voetbal.

In de eerste helft van Chez Stans speelt Jan mooie één-tweetjes uit tussen heden en verleden, Winschoten en Brussel. Later dribbelt de voetballer die hij was verbeten tegen de schrijver die hij werd. Hij (maar welke hij?) zou nochtans beter moeten weten. Mooiprater die hij was en is. Hij legt vaak een bochtig parcours af, brengt zijn lezer in de war met weer een dribbel, een draaibeweging die je even doet zoeken naar het juiste zicht op de situatie, op wie er spreekt, waar die verteller zich bevindt. Maar ik weet dus niet of dat ook zijn typische voetbalstijl was. Wegens te jong. Hij te oud? Erg opvallend is alleszins de openheid waarmee de aimabele heer spreekt over de romantiek in zijn voormalig voetballersbestaan, de vele liefdes, groot, klein, kort, lang, onverteerd, soms ongeconsumeerd, soms nabij, soms veraf. Voorbijgaand, zoals blessures, groot en klein.

Opvallende momenten, hilarisch of vertederend, zijn er in overvloed. Ik genoot erg van de verplaatsingen van het verre Winschoten over Breda, Wuustwezel, Antwerpen naar het geheuvelde Brussel, langs het paleis. Datzelfde paleis waar hij afsprak met een Nederlandse bondscoach, net op tijd om diens arrestatie te kunnen voorkomen. Of de geboorte van zijn zoon, Youri (niet: Yuri), en de liefdevolle kinderopvang die Jan en Johanna werd geboden. Prachtig is de beschrijving van de ontvangst van de notabelen van Anderlecht in zijn nederige thuis in het verre noord-Nederland, de dag dat het bedrag voor zijn aanwerving wordt meegedeeld.

Kortom, de staalharde voetbalanalyticus verschijnt hier als onderhoudend causeur, maar nog steeds scorende midvoor, een authentieke verteller die zijn taal ook prachtig doorspekt met Brussels en koetervlaams. En met de nodige, kromme voetballogica.

Aangrijpend vertelt hij van zijn noodzakelijk vertrek uit Anderlecht (zijn trots, weet u), en het afscheid van ‘zijn’ Brussel. Zou hij zich die middelvinger naar Kessler betreuren? Ik gok van niet. De overstap naar Ajax? Dat weet ik niet zeker, want uit dit boek spreekt zovele jaren later nog zoveel hunkering naar ‘zijn’ club (Anderlecht) en het Brussel van die vroege jaren 70 dat hij in Amsterdam nooit zo gelukkig kan geweest zijn. Of wel? Misschien komen we het wel te weten in een opvolger van Chez Stans.

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.